Stamreeks van Johan Clencke

Generatie 1 (proband)

1 Johan Clencke, geboren omstreeks 1370. Johan is overleden vóór 1428, ten hoogste 58 jaar oud.
Notitie bij Johan: Was in 1421 nog in leven.

Generatie 2 (ouders)

2 Gerard Clencke, geboren omstreeks 1350. Gerard is overleden vóór 1380, ten hoogste 30 jaar oud. Gerard trouwde, ongeveer 20 jaar oud, omstreeks 1370 met Agnes de Vos van Steenwijck, ongeveer 20 jaar oud. Agnes is geboren omstreeks 1350 in Coevorden, dochter van Coenraed van de Ghore van Kuinre en NN van Ansen. Agnes is overleden na 1421 in Ruinen, minstens 71 jaar oud. Agnes trouwde later in 1380 in Coevorden met Arend Huys (van Norch) van Ruinen (±1335-1396).
Notitie bij Agnes: Arent Huys hertrouwt met Agnes de Vos van Steenwijk, wed. van Gerardus Clencke.
07-07-1421 draagt Agnese, wed. van Arnolt Huzeke een boterrente, uit het bezit van Arnolt, over aan de abdij te Dikninge. Haar zoon Johan Clencke (uit haar eerste huwelijk) is getuige.
Kind van Gerard en Agnes:
I. Johan Clencke, geboren omstreeks 1370 (zie 1).

Generatie 3 (grootouders)

4 Johan Clencke, geboren omstreeks 1320.
Kind van Johan uit onbekende relatie:
I. Gerard Clencke, geboren omstreeks 1350 (zie 2).

Generatie 4 (overgrootouders)

8 Gherhardus Clencke, geboren vóór 1310. Gherhardus is overleden na 1327, minstens 17 jaar oud.
Notitie bij Gherhardus: ogd0304 en 0305 en 306; februari/maart 1327: Schuldverklaring tijdens verblijf in Kampen. Vermeld zijn Gerhardus Clencke, Johannes Clencke, Otto van Norch, Coenraad van de Ghore, Boldewijn van Selwerd, Johannes Scerpinc, Alfred van de Schure, Walter van Genemuiden, Arnold te Westen, Herman van der Helle, Thise Gosinc, Gerard van Wenlo, Johannes zoon Helsede, Thidericus zoon Pelfrim (van Putten), Bertold van Ansen, Rudolf Clencke, broer van Johannes;
Request van 22 september 1327. Archief Dickninghe.
Johannes Klencke en zijn zoon Gherhardus verkopen aan de abdij van Dickninghe een rente van 11 mudden winterrogge en 3 mudden haver uit het huis Lodinghe te Wijster; en beloven, terstond wanneer zij Drenthe in vrede kunnen binnenkomen, deze rente voor buren in de villa wijster aan de abdij over te dragen; op straffe van leisting te Vollenhove door hen, Otto van Norch en Coenraad van de Goer. Met medebezegeling door de borgen. (Genoemde heren waren uit Drenthe verbannen vanwege hun hulp aan de bisschop en verbleven in Kampen)
Notitie bij publiceren van Gherhardus: 22 september 1327.
Johannes Klencke en zijn zoon Gerardus verkopen aan de abdij van Dikninge een rente van elf mudden winterrogge en drie mudden haver uit het huis Lodinghe in Wijster; en beloven, terstond wanneer zij Drenthe in vrede kunnen binnenkomen, deze rente voor de buren in de villa Wijster aan de abdij over te dragen; op straffe van "Leisting"te Vollenhove door hen, Otto van Norch en Coenradus van Goer. Met medezegeling door de borgen.
Johan Clencke was de aanvoerder van de bisschopsgezinde Drenten in hun strijd tegen de burggraaf van Coevorden.
Kinderen van Gherhardus uit onbekende relatie:
I. [misschien] Heyne Clencke, geboren omstreeks 1310. Heyne is overleden na 1374, minstens 64 jaar oud.
Notitie bij Heyne: Vermeld 1374: Heyne Klenke verkoopt een steenhuis gelegen aan de westkant van de Herestraat aan Henric Snoyen Aan de zuidzijde lag het steenhuis van Henrik Lanchoren en aan de noordzijde het steenhuis van Lutgherd rode Dirkes.
II. Johan Clencke, geboren omstreeks 1320 (zie 4).

Generatie 5 (betovergrootouders)

16 Johannes Clencke, geboren vóór 1290. Johannes is overleden na 1327, minstens 37 jaar oud.
Notitie bij Johannes: ogd0304 en 0305 en 306; februari/maart 1327: Schuldverklaring tijdens verblijf in Kampen. Vermeld zijn Gerhardus Clencke, Johannes Clencke, Otto van Norch, Coenraad van de Ghore, Boldewijn van Selwerd, Johannes Scerpinc, Alfred van de Schure, Walter van Genemuiden, Arnold te Westen, Herman van der Helle, Thise Gosinc, Gerard van Wenlo, Johannes zoon Helsede, Thidericus zoon Pelgrim (van Putten), Bertold van Ansen, Rudolf Clencke, broer van Johannes;
Request van 22 september 1327. Archief Dickninghe.
Johannes Klencko en zijn zoon Gherardus verkopen aan de abdij van Dickninghe een rente van 11 mudden winterrogge en 3 mudden haver uit het huis Lodinghe te Wijster; en beloven, terstond wanneer zij Drenthe in vrede kunnen binnenkomen, deze rente voor buren in de villa wijster aan de abdij over te dragen; op straffe van leisting te Vollenhove door hen, Otto van Norch en Coenraad van de Ghore. Met medebezegeling door de borgen. (Genoemde heren waren uit Drenthe verbannen vanwege hun hulp aan de bisschop en verbleven in Kampen)
Johannes trouwde met NN van Ruinen. NN is geboren omstreeks 1285, dochter van Johan (II) van Ruinen en Ermengarde van NN. NN is overleden na 1325, minstens 40 jaar oud.
Kind van Johannes en NN:
I. Gherhardus Clencke, geboren vóór 1310 (zie 8).

Generatie 6 (oudouders)

32 Gerard(us) Clencke, geboren vóór 1240. Gerard(us) is overleden in 1264, minstens 24 jaar oud.
Notitie bij Gerard(us): Vermeld in een oorkonde van 31 oktober 1259 als getuige, samen met Nicolaas zoon Boudewijn, Werenbold van de Vecht, Herman van Methele, ridders. Het betreft een ruiling van goederen tussen Hako van Hardenberg en het klooster Marienkamp bij Coevorden.
1259: Otto, graaf van Benthem, keurt de overdracht goed door Hako, zoon van wijlen Stephanus de Hardenberg, ridder, aan de St.-Maria-abdij bij Covordia van de hof en de molen c.a. te Durse en de pacht van 4 Groninger ponden uit Nortwalde bij Rode, vroeger door Hako van hem in leen gehouden, onder voorbehoud van de pacht van 3 Groninger ponden uit de hof voor zijn kastelein Hermannus de Methele, ridder; en dit in ruil voor het huis van de abdij te Campen bij Covordia, door haar verkregen van Johannes Campinc en Rode, en haar rechten op de door haar van graaf Otto in leen gehouden huizen te Itterbeke en te Anewede, met uitzondering van haar bezittingen te Lutten.
ogd0133 19 juli 1263 Gerardus Clencke en zijn broer Rudolf en Hako van Hardenberg verklaren met Henricus, bisschop van Utrecht, een overeenkomst te hebben aangegaan over de bewaring van het kasteel Coevorden.
Getuigen: Heer Herman van Voorst, Gijsbert van Buchorst, Heer Hendrik van Almelo, Heer Albert van Gerner, ridder, Frederik Radinc, bijzonder dienaar van Drenthe, Heer Egbert van Groningen, Heer Mewekinus van Ruinen, Heer Rudolf van Ansen, Heer Volker van Echten, ridder, Rudolf van de Ese.
Zou zijn overleden in 1264 volgens MD Teenstra samen met zijn broer Rudolph als gevolg van de strijd tijdens de verwoesting door hen van het kasteel van Rutger van Eelde, de schulte van Drenthe.
Kinderen van Gerard(us) uit onbekende relatie:
I. Johannes Clencke, geboren vóór 1290 (zie 16).
II. Rudolf Clencke, geboren vóór 1290.

Generatie 7 (oudgrootouders)

64 Herman Clencke, geboren vóór 1200. Herman is overleden vóór 1236.
Notitie bij Herman: Vermeld in een oorkonde van 1 januari 1219 waarin de bisschop van Utrecht de schenking goedkeurt van een hoeve in Middelbrink, gelegen aan de oostzijde, aan het klooster te Ruinen, door Eveze, weduwe Ostwalt (Oosterwolde) en Ida, de vrouw van Nicolaas, zoon van Eveze die in het Heilige Land is gestorven, waarvan de voogden van de zoon van Nicolaas en Ida hierbij aanwezig zijn en hiermee instemmen.
Getuigen: Rudolf van Coevorden, Egbert van Groningen, Rudolf van Norch, en de voogden van de zoon van Nicolaas en Ida: Gijsbert, Hugo Dunker, Herman Clincke, Rudolf Rocke.
Herman Clencke en Rudolf Rocke zijn, op basis van de volgorde van vermelding, dan verwant aan Ida van Ruinen en zeer waarschijnlijk broers.
Herman trouwde met NN van NN.
Kinderen van Herman en NN:
I. Gerard(us) Clencke, geboren vóór 1240 (zie 32).
II. Rudolf(us) Clencke, geboren vóór 1240. Rudolf(us) is overleden in 1264, minstens 24 jaar oud.
Notitie bij Rudolf(us): Zie bij Gerardus Clencke.
Zou zijn overleden in 1264 volgens MD Teenstra samen met zijn broer Gerard als gevolg van de strijd tijdens de verwoesting door hen van het kasteel van Rutger van Eelde, de schulte van Drenthe.

Generatie 8 (oudovergrootouders)

128 [waarschijnlijk] Arnold II van Ruinen, geboren omstreeks 1165. Arnold is overleden na 1217, minstens 52 jaar oud.
Notitie bij Arnold: Komt voor in een oorkonde van 1204 samen met Hendrik van Kuinre, Herman van Voorst, Bernard Benzinck, Arnold Wilde, Hugo en Wiecher Storm, Engelbert Merekinck.
In 1206 ruilt bisschop Derk met de abt Frederik van Ruinen de kerk van Beilen tegen de kerk van Steenwijk. Als getuigen in de akte worden genoemd Arnoldus en Otto van Ruinen. Arnoldus komt tevens voor in acten van de bisschop als getuige in de jaren 1207, 1209, 1210 en 1211. Als getuigen van bisschop Otto in de jaren 1215 en 1217.
Kinderen van Arnold uit onbekende relatie:
I. Johan I van Ruinen, geboren omstreeks 1188 in Ruinen. Johan is overleden na 1241, minstens 53 jaar oud.
Notitie bij Johan: Johan I van RUINEN, ridder, (Heer van Ruinen 1223-1241) genoemd als getuige van de bisschoppen Otto van Lippe (1205-1225), Wibrand van Oldenburg (1225-1233) en Otto van Holland (1233-1249).
In 1212 wordt Johan van Ruinen genoemd als getuige van Volker van Coevorden.
1236 beslechten Johannes en Laurencius, ridders, hun geschil met de abdij van Ruinen (oork. boek Gr. en Dr. I, nrs 67, 83 en 100).

Uit MD Teenstra; 1e deel breedvoerig tijdrekenkundige tafel;
Jaar 1036; Ruinen, een geheel op zichzelf staande heerlijkheid in Drenthe, toebehorend aan twee broeders, de ridders Johan en Laurens van Ruinen, behoort volgens de mening van de twee broeders niet tot Drenthe en zij willen zich evenmin onder de Drenthenaren gerangschikt zien, evenmin als de tegenwoordige bewoners van Zuidlaren.
(De datum van de oorkonde kan niet juist zijn, moet 1236 zijn)

Oorkonde 1036 tekst uit J S Magnin 1846; De voormalige kloosters in Drenthe geschiedkundig beschouwd. (Datum moet 1236 zijn)
"Ego Johannes, verbi Crucis Minister, Canonicus Osnabrugensis, scire volo universos ad quos presens scriptum pervenerit, quad cum contraversia fuisset inter Conventum de Runen ex una parte, et Johannem et Laurentium, fratres, milites, exaltera parte, super palude que vocatur Buddigwolt, que iacet inter Mickelhorst et Arneslot, causam predicte contraversie abbas et fratres sui, sub optentu officii, et Jo. et Lau. layci, sub pene excommunicacionis, michi et Domino Fretherico de Covordia et Johani de Pethe dederunt terminandam. Nos vero habito consilio ordinavimus, ut predictus Conventus Jus, quod habuerat in predicta pralude, predictis fratribus Jo. et Lau. libere conferret et absolute, et iam dicti fratres, in recompensacionem palludis, darent annuatim conventui septem modios siliginis et septem modios avene, groniensis mensure, de domo in Twinglo (Dwingelo). Ordinavimus preterea, ut omnis contraversia qui fuit inter partes de palludibus hinc inde excultis, per dictam composicionem finaliter esset sopita et amicabiliter ordinata, et neutra pars de cetero aliquatenus moverit de predictis questionem. Palus vero de Arneslot usque Runen eritam conventui quam aliis marchionibus communis. Et ne factum istud aliquatenus posset irritari, presenti scripto sigillorum B., Abbatis de Runen, Jo., verbi Crucis ex Legato, et F., Militis de Covordia, testimonio roborato fecimus innotari.
Acta sunt hec in Runen Ao MXXX sexto, in die sancti Galli".

Vermeld in Cartago dik019, Archief abdij Dickininge, met datum 16 oktober 1236.
"Johannes, verbi crucis minister, kanunnik te Osnaburge, bepaalt met Frethericus de Couordia en Johannes de Pethe, - in het geschil tusschen de abdij van Runen en de gebroeders Johannes en Laurencius, ridders, over het drassig land Buddigwolt tusschen Mickelhorst en Arneslot: 1- dat de abdij haar recht zal opdragen aan de gebroeders tegen eene jaarlijksche vergoeding van 7 mudden rogge en 7 mudden haver Groninger maat, uit het huis in Twinglo; 2- dat hiermede alle geschil opgelost zal zijn; 3- dat het drassig land tusschen Arneslot en Runen gemeen zal zijn aan de abdij en de overige markegenooten. Met bezegeling door B. abt van Runen, Johannes verbi crucis Ohristi legatus en Frethericus ridder De Couordia."

In een copie van de originele oorkonde in het Latijn staat als datum "A` XXX` sexto", geen duizend of honderdtal ervoor. De opstellers van het Oorkondenboek Groningen-Drenthe menen dat hier alleen maar het jaartal 1236 in aanmerking komt, gelet op de overige inhoud van de oorkonden en de vermelde personen.
Johan trouwde met NN van NN.
II. [waarschijnlijk] Sophia van Ruinen, geboren in 1205 in Ruinen. Sophia trouwde met Rudolf II van Coevorden. Rudolf is geboren omstreeks 1192, zoon van Folker van Coevorden en Ida Lewe. Rudolf is overleden op 25-07-1231 in Nijenstede, Hardenberg, ongeveer 39 jaar oud.
Notitie bij Rudolf: Was burggraaf van Coevorden van 1196-1228.
Komt voor als getuige van de bisschop van Utrecht in brieven van 1 januari 1218 en 10 januari 1223. In de laatste brief samen met zijn broeder Frederik.
In 1212 verpand hij met toestemming van zijn vader Volkerus, de grove en smalle tienden in Spehoorne en de tiend van 8 huizen te Echten aan de abdij van Ruinen, met vaststelling van de termijn van terugbetaling. (archief Dickninge) Later genoemd als van Ansen. Ridder van Ansen
1222 Rudolf belegert met de Gelkingen het slot van Egbert van Groningen.
1226 Rudolf, door de Sepperothes te Groningen te hulp geroepen, bemachtigd Groningen en neemt de stadsvoogd Egbert de jonge met zijn gezin gevangen en verwoest het slot. Grootvader Egbert van Groningen vlucht naar Friesland en komt terug en herovert Groningen en doodt vele Gelkingers.

Slag bij Ane op 28 juli 1227. Rudolf of Roelof verslaat het bisschoppelijke leger samen met Drenten en Friezen en met behulp van bendes uit Steinfort, Dalen, Loenen en Goor. Bisschop Otto van der Lippe sneuvelt en ook 200 ridders en ridderzonen waaronder de beroemde Duitse held Berend van Horstmar. De graaf van Gelre Gijsbert van Amstel en andere edelen werden gevangen genomen. Deze worden later onder beloften en borgtocht vrijgelaten. Keizer Hendrik ontslaat hen van de beloften en deze edelen werken mee aan de verkiezing van Wilbrand van Oldenburg tot bisschop van Utrecht.
Een nieuwe aanval van de bisschop op Coevorden volgt met wisselend succes, maar uiteindelijk komt er een wapenstilstand en doet de bisschop nieuwe voorstellen aan Rudolf/Roelof. Rudolf wordt uitgenodigd in het nieuw door de bisschop gebouwde kasteel bij Hardenberg voor overleg. Daar worden hij en Hendrik van Gravestorp gevangen genomen en vermoord. (Geradbraakt.)
In 1231 volgt opnieuw strijd en komt er een verdrag waarbij Frederik van Coevorden wordt beleend met alle rechten zoals zijn voorganger die ook bezat.

Rudolf/Roelof van Coevorden had een dochter die met Hendrik van Borculo getrouwd was. komt voor in een akte van 1261.
III. Gerard(us) van Ruinen, geboren omstreeks 1191. Gerard(us) is overleden na 1230, minstens 39 jaar oud.
Notitie bij Gerard(us): Komt voor in een oorkonde van 25 maart 1230, waarin Theodericus, kanunnik te Deventer, goederen schenkt aan de kerk van St Marie te Deventer.
IV. [waarschijnlijk] Herman Clencke, geboren vóór 1200 (zie 64).
V. Laurens van Ruinen, geboren omstreeks 1195.
Notitie bij Laurens: Uit MD Teenstra; 1e deel breedvoerig tijdrekenkundige tafel;
Jaar 1036; Ruinen, een geheel op zichzelf staande heerlijkheid in Drenthe, toebehorend aan twee broeders, de ridders Johan en Laurens van Ruinen, behoort volgens de mening van de twee broeders niet tot Drenthe en zij willen zich evenmin onder de Drenthenaren gerangschikt zien, evenmin als de tegenwoordige bewoners van Zuidlaren. Ook Coevorden schijnt in ridder Frederik een eigen heer te hebben.
Opmerking: Het vermelde jaartal is waarschijnlijk niet juist. Dit zal 1236 moeten zijn.
Zie verder hetgeen vermeld is bij zijn broer Johan.
VI. [waarschijnlijk] Rudolf Rocke, geboren vóór 1200. Rudolf is overleden vóór 1236.
Notitie bij Rudolf: Vermeld in een oorkonde van 1217 met bezittingen in Eemster.
VII. [waarschijnlijk] Ida van Ruinen, geboren omstreeks 1200.
Notitie bij Ida: In een oorkonde van 1218 staan als voogden van de zoon van Nicolaas en Ida vermeld: Ghiselbertus, Hugo Dunker, Hermannus Clince en Rodulfus Rocke. Deze personen zijn dus verwanten van beide, waarschijnlijk broers van beide of van beide ouders. Op basis van de vermelde volgorde zijn Gijsbert en Hugo een van Steenwijck en Herman en Rudolf van dezelfde familie als Ida.
Ida trouwde met Nicolaas van Steenwijck. Nicolaas is geboren omstreeks 1200, zoon van [waarschijnlijk] Hendrik van Steenwijck en [waarschijnlijk] Evese van Oosterwolde. Nicolaas is overleden vóór 1218, ten hoogste 18 jaar oud.
Notitie bij Nicolaas: Vermeld in een oorkonde van 1218, schenking van een huis te Middelbrink aan de kerk van Ruinen, door Evese, weduwe van Ostwalt (Oosterwolde). Nicolaas, zoon van Evese, is in het Heilige Land gestorven en was getrouwd met Ida.

Generatie 9 (oudbetovergrootouders)

256 Otto II van Ruinen, geboren omstreeks 1140. Otto is overleden na 1206, minstens 66 jaar oud.
Notitie bij Otto: Op 1 april 1169 bekrachtigd bisschop Godfried de verkoop van Selwerd door Lutgerus, dienstman van St Maarten aan het klooster te Ruinen. Als getuigen worden vermeld Otto van Ruinen, Hendrik van Cunre, Leffert van Groningen, Everhard van Almelo en Ingelbert van Ramlo.
In 1181 komt Otto voor in een brief van abt Hendrik, samen met Lambert van Peize, en Roelof van Groningen, als getuigen en dienstmannen.
De vermelde kinderen Otto en Johan worden vermeld op:
http://www.pdejong.com/genealogie/parenteel/vanruinen/d1.htm#g3
zonder nadere bronnen.
Kinderen van Otto uit onbekende relatie:
I. Arnold II van Ruinen, geboren omstreeks 1165 (zie 128).
II. [waarschijnlijk] Otto van Ruinen, geboren in 1168.
Notitie bij Otto: Vermeld 1206-1211, ministeriaal en getuige van de Bisschop van Utrecht.
III. [waarschijnlijk] Johan van Ruinen, geboren omstreeks 1170.
Notitie bij Johan: Vermeld 1212 als getuige van Volker van Coevorden.

Generatie 10 (stamouders)

512 Arnoldus van Ruinen, geboren omstreeks 1115 in Ruinen. Arnoldus is overleden na 1141, minstens 26 jaar oud.
Notitie bij Arnoldus: Vermeld als zoon en erfgenaam van Otto in een oorkonde van 1141. Zie bij Otto.
Kind van Arnoldus uit onbekende relatie:
I. Otto II van Ruinen, geboren omstreeks 1140 (zie 256).

Generatie 11 (stamgrootouders)

1024 Otto van Ruinen, geboren omstreeks 1093. Otto is overleden na 1141, minstens 48 jaar oud.
Notitie bij Otto: Als moeder van Otto van Ruinen is Adelheid van Zutfen aangenomen. Deze had een zoon Otto waarvan verder geen gegevens bekend zijn. Het wapen van Ruinen bevat drie rozen, dezelfde als die voorkomen in het wapen van Gelre/Zutfen uit de jaren 1190-1236. De geboortedatum van Otto van Ruinen is praktisch gelijk aan die van Otto, zoon van Adelheid. Deze Adelheid bezat erfelijke rechten op o.a. de Emsgau, via haar vader verkregen van haar grootvader Godschalk van Twenthe.
zie ndva 1897 blz 219.
De Heren van Ruinen woonden op de havezate Oldenhof bij Ruinen.
De oudst bekende stamvader was een Otto van Ruinen, geboren omstreeks 1093, die in 1139 voor het eerst wordt vermeld als getuige en dienstman van bisschop Andries of Andreas. Deze begiftigde de kerk te Oldenzaal met pachten uit de kerken te Anlo, Beilen, Vries, Eelde, Norch, Roden en Roderwolde. De getuigen hiervan zijn: Hartbertus, Hoofd provoost (de latere bisschop van Utrecht), Albero, provoost van St Pieter, Adelardus provoost (van ?), Hugo, provoost van St Marie, Lutbertus, dekaan van St Martini, Arnoldus, dekaan, allen kanunniken; de vrijen Simon, Leodricus en Henricus; graaf Godfried (van Cuijck g/m Jutta van Werl) en zijn broer Herman ( II van Malsen), Franco van Diepenheim, Wernerus zijn broer, allen dienstmannen; Hugo van Hoonhorst, schulte Frederik (van Coevorden) Otto van Ruinen, Bartold en zijn zoon Gosewijn, Lidulphus van Oldenzaal en vele anderen.
Otto was toen al niet zo jong meer, want bij een belangrijke schenking in 1141 was medeondertekenaar zijn zoon, die toen dus volwassen was.
In die akte van 1141 wordt hij Otto dienstman van St Maarten genoemd. Op zijn verzoek schenkt bisschop Herbert de kerk van Steenwijk aan de kerk St Maria te Ruinen. Otto had die kerk van de bisschop in leen. Otto zelf schonk aan de kerk van Ruinen zijn veen tussen Ruinen en Meppel met alle tienden, twee huizen te Ruinen, het land Gislo, de tienden te Anreep, een huis te Petthe (Pesse) en een huis te Buun. Hij deed dit om de monniken die daar onder de regel van St Benedictus wilden leven, een beter bestaan te geven. In feite dus een schenking aan het gestichte klooster te Ruinen. Getuigen waren o.a. de vrije mannen Hugo, Walter, Rudolf, Godfried en Diederik. De leken Albero, Gerard, Egbert, Werenbold, Everard, Steven, Sieger, Walter en de voornoemde Otto van Ruinen. Verder Wiecher, Herman, Benso, Rodolf, Tidico, Rudericus, Benneco, Alferdus en zijn broer Leferdus, Wazo, Godschalk, Frederik van Coevorden, Arnoldus, de zoon van de bovenvermelde Otto, Anneco. Heppo en vele anderen.

De voorouders van Otto van Ruinen zijn tot op heden niet rechtstreeks te traceren. Ruinen, de Oldehof, was omstreeks 1100 een leengoed van de bisschop van Utrecht, die behalve de kerkelijke macht ook de wereldlijke macht bezat, verkregen op 21 mei 1040 en vermeld in een oorkonde van koning Hendrik III. Koning Hendrik III was eigenaar van alle gronden in Drenthe behalve die van de boermarken in Drenthe, de grond die de Drentse eigenerfde boeren in gebruik hadden ten tijde van Karel de Grote. Deze Karel had namelijk bepaald, na de onderwerping van de Drenten omstreeks 805, dat alle niet bebouwde en bij de boeren niet in bewerking zijnde grond van de koning was. De Drenten waren het hier uiteraard niet mee eens, maar moesten dit onder dwang aanvaarden. Karel gaf delen van zijn grond uit aan getrouwen uit zijn omgeving om dit namens hem te beheren en hij vaardigde een landgoederenbesluit uit, waarbij ridders uit zijn leger een stuk grond kregen waarop zij een landgoed moesten aanleggen, waarop vee moest worden gehouden en produkten moesten worden verbouwd ter voorziening van voedsel voor zijn hoven en zijn leger. Deze landgoederen werden voornamelijk aangelegd op strategische punten en langs hoofdroutes in zijn rijk. In oorkonden van mei 1040 worden enkele in Drenthe met name genoemd, zoals Uffelte, Wittelte, Pithlo, Eyen (Een) en Lintherunge (Lenverding of Lemferding bij Eelde). In latere oorkonden komen de namen van meer leengoederen voor waarop zich ook een versterkt huis bevindt en een kapel, zodat mag worden aangenomen dat ook die hebben behoord tot de vroegste landgoederen. Ruinen behoort daar ook toe. De ridders/leenmannen waren telgen uit adellijke geslachten uit zuidelijker streken.
Ook de voorouders van Otto van Ruinen stammen af van Westfaalse graven die destijds ten tijde van Karel de Grote de macht uitoefenden. Van de oudst bekende heren van Norch (Eyen), Eelde, Peize, Groningen, Coevorden, Steenwijk en Kuinre zijn de voorouders getraceerd. Nazaten van Otto van Ruinen zijn hiermee verwant, maar ook de voorouders van Otto zullen die verwantschap hebben, gezien de roepnamen in de familie. Vermoedelijk loopt ook deze lijn via Zutphen/Gelre naar de streken langs de Rijn.
Het wapenschild van de heer van Ruinen heeft 3 rozen, dezelfde als het wapen van Gelre.
Zie ook: http://www.pdejong.com/genealogie/parenteel/vanruinen/d1.htm
Kinderen van Otto uit onbekende relatie:
I. Arnoldus van Ruinen, geboren omstreeks 1115 in Ruinen (zie 512).
II. [waarschijnlijk] NN van Ruinen, geboren omstreeks 1117.
Notitie bij NN: Vermoedelijk een nazaat Groenenberg, vanwege de voornamen Egbert en Menzo van haar kleinkinderen.
NN trouwde met [waarschijnlijk] Leffart van Wierum van Groningen. Leffart is geboren omstreeks 1110, zoon van Rudolf van Werl van Wierum en Sigardis? van NN. Leffart is overleden na 1178, minstens 68 jaar oud.
Notitie bij Leffart: Prefect van Groningen. (Naam Leffert oorspronkelijk Lyfrid)
Hij werd benoemd in 1144 door zijn broer Herbert nadat deze de prefectuur aan Egbert van Groenenberg had ontnomen. Deze Egbert was prefect van 1141 tot 1144 en was ook benoemd door bisschop Herbert, maar Egbert lag regelmatig met de Gelkingers in de stad Groningen overhoop.
Volgens MD Teenstra zouden de Groenbergers, na het verwerven van de wereldlijke macht door de bisschop van Utrecht in 1047 zijn aangesteld als leenmannen, maar hun beleid van bevoordeling van familieleden leidde tot groot ongenoegen onder de bevolking, wat in 1105 escaleerde in het ontstaan van de groepering van de Gelkingers, die de bisschop van Utrecht niet meer erkenden als wereldlijk machthebber van Groningen.
Komt voor in een oorkonde van 1177 en 1178 samen met zijn jongere broer Lambert van Peize, Schulte Johannes, Walter Radinc (van Vollenhove) en Arnold Wilde.
Na zijn overlijden worden 3 kleinzoons elk voor een derde beleend met de prefectuur. Deze, Rudolf, Menzo en Hecbert (Egbert), zijn van een dochter getrouwd met Godschalk van Sepperothe (beiden overleden voor hun vader resp.schoonvader).
Volgens M D Teenstra in zijn breedvoerig tijdrekenkundige tafel is Leffart overleden in 1160 (1180?). Zijn kleinzonen waren Lefferd, Rudolf, Menso en Herbert.
Anne Post: Heeft vermoedelijk de (houten) borg Selwerd laten bouwen op de grond die hij als leenman in bezit had. Deze borg stond 3,5 kilometer ten zuidoosten van zijn geboortehuis op de wierde Wierum, toen behorend tot Frisia, waar de Hunze instroomt in het Reitdiep vroeger Koningsdiep.
III. [waarschijnlijk] NN van Ruinen, geboren omstreeks 1120. NN trouwde met [waarschijnlijk] Egbert II van Groenenberg. Egbert is geboren omstreeks 1110, zoon van [waarschijnlijk] Werner? van Groenenberg.
Notitie bij Egbert: Egbert werd in 1143 afgezet door bisschop Herbert van Wierum, die daarna zijn broer Leffart tot prefect van Groningen benoemde.

Generatie 12 (stamovergrootouders)

2048 [misschien] Arnold van Blankenheim van Gelre. Arnold trouwde omstreeks 1093 met [misschien] Adelheid van Zutphen, ongeveer 13 jaar oud. Adelheid is geboren omstreeks 1080, dochter van Otto II de rijke van Zutphen en NN (Irmgard?) van Northeim. Adelheid is overleden vóór 1118, ten hoogste 38 jaar oud. Adelheid trouwde later omstreeks 1100 met [misschien] Willem van Steinvorde (±1070-1147).
Notitie bij Adelheid: Volgens http://www.graafschap-middeleeuwen.nl/joomla/index.php/adel/graafschap-zutphen/240-otto-ii-de-rijke.html erft zij de rechten in Agradingouw en Emsgouw en de voogdij van Münster, of krijgt deze als huwelijksgeschenk mee. Zij is waarschijnlijk twee keer getrouwd geweest. (Ook wordt vermeld dat zij met Egbert van Saarbrucken getrouwd zou zijn geweest en dat zij het huis Tecklenburg zouden hebben gesticht. Waarschijnlijk is het Adelheid van Gelre die met een van Teclenburg is getrouwd. Adelheid moet geboren zijn tussen 1060 en 1085 en kan dus ouder zijn dan hier vermeld. Mogelijk stamt Otto uit een eerder huwelijk. Een partner zou dan kunnen zijn Arnold van Blankenheim van Gelre. Het wapen van Otto van Ruinen is identiek aan het wapen van Gelre, drie rozen op een geel vlak, zoals het wapen van Gelre uit de jaren 1190-1236.)

Vermeld staat dat Adelheid een zoon Otto had. Van deze zoon is verder niets bekend.
Mogelijk dat deze Otto dezelfde is als Otto van Ruinen die omstreeks 1093 moet zijn geboren. Gezien de namen van de nakomelingen van Otto van Ruinen is deze mogelijkheid zeer reeel.
Kind van Arnold en Adelheid:
I. [misschien] Otto van Ruinen, geboren omstreeks 1093 (zie 1024).
Gegenereerd met Aldfaer-versie 8.1 op 07-08-2020 20:38:56 door A. Post